Doorzoek de website


Contact

Houses of the Circle

E-mail: info@cirkelvandegodin.nl

Witte Wieven.

In dit stuk wordt aandacht besteed aan onze wortels. Het is belangrijk te weten waarmee je verbonden bent. Onze traditie - die van de Cirkel van de Godin - stamt uit de traditie van de Witte Wyven. De Cirkel van de Godin wijdt in in de lijn van de Witte Wyven. De oprichter van de Cirkel van de Godin - Mario  - is ingewijd door Lia van den Bulk.

 

Witte Wieven zijn over het algemeen erfheksen. Dat betekent dat het van vrouw op vrouw ging en ze werden als kind met kruiden, zalf maken en magie opgevoed. De meeste kinderen werden vroeger bij de Witte Wyven in de cirkel verwekt. Een van de Witte Wyven werd uitverkoren tot heksenkoningin. Al vanaf het jaar 1200 n.o.j. is dit gebruik gedocumenteerd vertelde Lia eens in een interview.

In onze lijn was het Willemien en later haar dochter Lia van den Bulk, die waren uitverkoren als heksenkoningin. Lia had een coven - de Zwarte Panter - en leidde mensen op en wijde ze in in de oude hekserij. Mannen hadden een taak als patriarch. Zij kwamen haast nooit in de cirkel, zij hadden de taak om de magische rommel op te ruimen. Diegene die zijn ingewijd in deze lijn, zijn dus ingewijd in de oude hekserij.

Zowel Alexandrians als Gardnerians die al 3e graad waren ingewijd, zijn later in de lijn van de Witte Wyven ingewijd. We kunnen ook wel stellen dat wicca en hekserij toch behoorlijk van elkaar verschillen. Witte Wyven geloven ook niet in de wicca regel "doe wat je wilt, maar schaad niets of niemand" maar geloven in de wet van oorzaak en gevolg.

Maar wat zijn Witte Wyven eigenlijk en waar komen ze vandaan?

 

***********

 

Witte Vrouwen / Geldersch Overijsselsche Courant, augustus 1965 door G. Bos

 

Deel I

 

Witte vrouwen, witte wijven, witte juffers, spinvrouwen spelen een rol in oeroude sagen, die over een groot deel van Europa zijn verspreid en volgens Gazebeek zelfs tot in Azië kunnen worden nagespeurd.

 

In de regel vertonen ze menselijke trekken. Slanke, fijne vrouwtjes zijn het met lange blonde haren, die soms als sluiers in de lucht hangen. Ook zijn ze soms zeer groot van gestalte en beschikken dan over bovenmenselijke kracht. Men kon ze ’s nachts zien, gewoonlijk op het geestenuur. Als de zon opkwam waren ze verdwenen. In Limburg werden ze echter ook wel bij warme zonneschijn waargenomen ... evenals in Westfalen.

 

Schrijnen zegt, dat ze een sterk animistische grondtoon hebben waarmee hij bedoelt, dat het elfen of natuurgeesten zijn, die, gescheiden van hun vroegere stoffelijke vorm, een afzonderlijk bestaan gaan voeren. Daarbij hebben ze naar zijn mening vele trekken aan de godin Holda en haar stoet ontleend. Drijver merkt bijvoorbeeld op, dat de witte vrouwen soms een sleutelbos dragen, een attribuut van Holda, dat wijst op haar vermogen, de schatkamer der aarde te openen en het graan te laten groeien.

 

Bij het bestuderen van een groot aantal sagen in verband met het schrijven van deze artikelenreeks is mij gebleken, dat niet alleen trekken van Holda, maar ook van de matronen en schutgeesten, van de kabouters, van de geesten der gestorvenen, van de Wijze vrouwen der Germanen, van waternimfen, ja zelfs van heksen en de duivel op haar zijn overgegaan.

 

Het volk heeft zijn overleveringen niet streng methodisch gerubriceerd. Soms lopen de verhalen over witte wijven en kabouters dooreen, soms zijn de eersten met trollen en reuzen verward. Of je ziet ineens witte juffers in een naloop-geschiedenis optreden.

 

Ik zal dit alles trachten aan te tonen. Laat ik echter eerst nagaan, hoe het geloof aan witte juffers zo algemeen verbreid kon zijn. Het woord algemeen is hier niet sterk. Mevrouw Huizenga noemt niet minder dan 47 plaatsen in de provincie Groningen op, waar ze voorkwamen; Ter Laan zegt zelfs, dat ze zich daar vertoonden in ieder dorp. In de andere provincies waren ze niet zo talrijk, maar Van den Bergh vermeldt in zijn Kritisch Woordenboek (1846), dat ze bekend waren in Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel, Drente, Groningen, Friesland en “het dus genoemde West-Friesland of Noord-Holland”. Ook naar hij meent in Zeeland. “In het eigenlijke Holland” en Utrecht heeft hij er echter geen sporen van aangetroffen.

 

Meer dan een gissing is het natuurlijk niet, maar het lijkt mij, dat de schimmen der pre-historie door de geestesgesteldheid van onze voorouders een gunstige kans hadden zich te handhaven. Vooral in stikdonkere nachten, waarin buitenshuis elk licht ontbrak, was men van angst en vrees vervuld en dat niet alleen voor rovers en andere kwaadwilligen. Een wit paard, een waaiend hemd aan de lijn, wuivende dampslierten, grillige door weer en wind geteisterde berken deden onwillekeurig de gedachten aan witte wijven opkomen, die eeuw na eeuw voedsel aan de verbeelding hadden gegeven en wier bestaan nimmer was ontkend. Ook niet door de geestelijke leiders.

 

Dr. Johan Picardt, predikant te Coevorden van 1648 tot 1670 geloofde er stellig aan en maakte zich boos op hen, die de witte-wijvensagen niet serieus namen. Volgens hem kwam dat uit hun onwetendheid voort. Een fraai staaltje van zijn genoegzame betoogtrant, ontleend aan zijn “Korte Beschrijvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteiten” (1660) is: “Ik weet wel dat er menschen gevonden werden die, door ingnorantie van oude dingen, voor fabeltjes houden al wat van dese Witte Wijven verhaelt werdt. Doch dese zijn also wijs en scharpzinnig, als andere zijn, welcke spotten met alle spokerij, als of dit oock al te samen fabelen waren. Dit is eenen compendieusen (= zeer korte) wegh tot de vervloekte Leer van David Joris (een godsdienstijveraar, die zowel door Katholieken als Hervormden fel werd bestreden en wiens Leer het meest met die der Wederdopers overeenkwam), die eerst spotte met de spokerij en hielt die al te samen voor fabulen, maer daer na leerde hij datter geen Duyvelen waren. Isser wel eenen hoeck landts in de gantsche werelt alwaer niet de Duyvel, met zijn Oracule (= beloften), Inblasingen, Verschijningen, Spokerijen, Gesichten, Droomen en Larven (= vermommingen) de Heydense menschen betoovert heeft? Die dese dingen versaken, die verloochenen de rechtvaardige Oordeelen Godts.”

 

Omdat er een duivel is en omdat er spoken zijn, daarom zijn er ook witte wijven. Ze hebben volgens Picardt gewoond in holle heuvels, die men nog kan herkennen omdat ze zijn ingestort. Verder schrijft hij: “.......dat ‘et omtrent deze Berghjes grouwelijk heeft gespoockt: dat men in den selven dickwijls een deerlijck gekrijt, gekerm en weeklagen van vrouwen en kinderen ghehoort heeft: datse bij dagh en nacht dikwijls van barende en noodlijdende vrouwen zijn ghehaelt en ouden die gheholpen hebben, oock dan wanneer alles desperaet was: datse de superstitieuse (= bijgelovige!!) menschen souden gewichelt, haer geluck en ongeluck voor-geseyt hebben; datse gestoolen, verlooren en vervreemde goederen wisten aan te wijsen waer die schuylden; dat die Landtstaeten deselve met groote eerbiedigheyt geeert hadden, als wat Goddelijcks in haar erkennende: dat eenigen Ingesetenen, bij sommige gelegenheden, in deze berghjes geweest waren, en hadden aldaer ongelooflijcke dingen gesien en ghehoort, maar hadden, op perijckel van haer leven niet een woort mogen spreken: datse snelder waren geweest als eenige creatuyren: dat zij altijd in ’t wit waren gekleedt geweest, en wierden daarom niet Witte Wijven, maar simpliditer de Witten genaemt.”

 

Ik heb u dit lange citaat niet willen onthouden, allereerst om zijn inhoud, maar ook om de volgende reden. Dr. Picardt was een geleerd man. Hij studeerde te Leiden medicijnen en godgeleerdheid en hield zich met landbouw en ontginning op grote schaal bezig. In het graafschap Bentheim draagt het plaatsje Alte Piccardie zijn naam. Een man van betekenis dus. Welnu – als een dergelijk man zo stellig aan de witte wijven geloofde, is het toch wel voldoende aannemelijk, dat mensen van geringe ontwikkeling dat ook deden. Plattelanders vooral, want de ons overgeleverde sagen zijn alle op het platteland gelokaliseerd.

 

U hebt uit het citaat kunnen zien, dat er in Pikardts tijd in vrij gunstige zin over de witte wijven wordt gesproken.

 

Kempius had, naar hij in “De Origene Frisae” (1586) schrijft, veel ongunstiger over haar horen oordelen. De heuvels, waarin ze woonden, waren zonder toedoen der mensen door duivelskunsten opgeworpen. Ze vielen de reizigers ’s nachts lastig, voerden de herders weg en namen kraamvrouwen en kinderen naar haar holen mee.

 

Als we de mededelingen van Picardt en Kempius met elkaar vergelijken, valt ons dadelijk een duidelijke tegenstelling op:

  • De witte wijven verlenen bijstand aan noodlijdende kraamvrouwen in barensnood (Picardt) en
  • ze ontvoerden kraamvrouwen en kinderen naar haar holen. (Kempius)

 

In de tweede uitspraak zouden we een trek van Holda als godin van de dood kunnen herkennen, maar de eerste moet van geheel andere oorsprong zijn. Ze doet ons denken aan de priesteressen der ouden, die in de heidense eredienst een belangrijke plaats innamen en de schakel vormden tussen godheid en volksmassa. Volgens deze opvatting betekent witte vrouwen wijze vrouwen. Witte zou in verband staan met weten (Vgl. Verwittigen). Deze wijze vrouwen kenden geneeskrachtige kruiden, verleenden zo nodig hulp bij geboorten, voorspelden de toekomst. Ze leefden teruggetrokken en werden algemeen vereerd. Haar grafheuvels of belten bleef men eerbiedige gevoelens toedragen, omdat men meende, dat ze daar na haar dood bleven rondwaren. Door een misverstand zouden ze dus in het wit geklede spoken zijn geworden. Meestal woonden er drie bijeen in de “wivenbelten”, soms twee, soms meer dan drie, zelden een afzonderlijk. Vooral in Overijssel en de Graafschap ontmoette men een krachtig geloof aan de witte wiven, vroede vrouwen of wizemoers. Volgens Schrijnen noemde Killaen ze in zijn Nederlands-Latijns woordenboek (1574) “quede holden” en “belewitten”. Met de laatste benaming werden oorspronkelijk goede geesten, later toverheksen bedoeld.

 

Het vermogen tot het voorspellen van de toekomst hebben de witte vrouwen in sommige sagen behouden.

 

In 1523 werd Jan van Wassenaar tijdens het beleg van Sloten door een witte vrouw zijn nabije dood aangezegd. In Termunten hebben de witte juffers Fokke aangeraden, vlug naar huis te gaan omdat hij sterven moest. De volgende dag was hij dood.

 

De Ierse witte vrouwen of baushi zeiden de voornaamste families de dood van harer leden aan. Hiermee kan de witte vrouw van Hohenzollern worden vergeleken. Heuvel brengt haar terug tot een schutsgeest der ouden, volgens Schrijnen van Keltische oorsprong. Hierop kom ik nader terug.

 

Deel II

 

Niet te ontkennen is, dat witte vrouwen die het sterfuur voorspellen, behalve aan wizemoers ook aan Holda als godin van de dood doen denken. Nog meer is dat het geval als contact met haar de dood tengevolge heeft, zoals in de volgende sage, die door Dr. L.J.F. Janssen in de gelderse volksalmanak van 1842 werd gepubliceerd.

 

Er spookte een witte juffer met een mandje aan haar arm bij de Montferland. Ongetergd liet ze de mensen ongemoeid. Ze wandelde vooral bij avond en nacht langs, om en over de berg. Wie haar minachtte of bespotte, die strafte ze. Een voerman uit Beek zat eens te Zeddam in de herberg. Dezelfde avond moest hij nog te Beek zijn. Hij moest dus de Montferland passeren. Toen hij vertrekken wou, werd hij dringend uitgenodigd, nog wat te blijven. Hij weigerde en gaf spottend ten antwoord, dat hij die avond nog met de juffer van Montferland dansen moest. De juffer kwam hem tegemoet en noodzaakte hem met haar te dansen. Na drie dagen was hij een lijk.

 

Bij deze geschiedenis sluit aan het volgende naloopverhaal. In zo’n verhaal verschijnen er geesten van gestorvenen, soms omdat ze bij hun leven gedane beloften onvervuld hebben gelaten. Ze moeten dan blijven spoken tot een sterveling, die hen ontmoet, goedmaakt wat zij hebben verzuimd en hun daardoor rust geeft. Het verhaal dat ik bedoel luidt in het kort als volgt:

 

In de buurt van Hagen (Westfalen) spraken twee witte wijven een man aan en vroegen hem, op een bepaalde plaats te komen, waar hij haar zou kunnen verlossen. Hij beloofde dit, maar kwam zijn afspraak niet na. Toen hij op een avond dezelfde weg volgde, ontmoette hij de vrouwen weer, maar ze waren zwart geworden, omdat de tijd van haar verlossing voorbij was. Ze kusten hem en vier dagen later was hij dood.

 

Een andere naloop-sage, die beter afliep, verhaalt, dat de predikant van Westeremden, die avond bij zijn ambtsbroeder te Gasthuizen had doorgebracht op weg naar huis een paar witte wijven ontmoette. Toen hij vroeg wat ze wensten, zeiden ze, dat ze geen rust konden vinden, omdat ze haar schulden niet had betaald. Het bedrag bleek zo gering, dat de dominee geen bezwaar had, dit alsnog voor haar te doen, en hij hield woord. Toen was het met de spokerij gedaan.

 

Ook uit de volgende overlevering blijkt, dat witte juffers soms voor geesten van gestorvenen werden gehouden, die waren opgestaan uit hun graf.

 

In het thans verdwenen Hesselink’s bos bij Westerbroek (Gr.) dansten ’s nachts van twaalf tot een drie witte juffers. Eens kon een van de drie niet meedoen. Ze viel en struikelde voortdurend. Een maaier, die vanwege de hitte overdag bij volle maan aan ’t werk was, hoorde haar klagen: “Mijn hennekleed (= doodskleed) is me te lang.” Uit medelijden kwam hij haar te hulp en knipte er een stuk af, zodat ze weer aan de rondedans kon deelnemen. De behulpzame maaier en zijn nakomelingen hebben sinds die tijd altijd geluk, welvaart en vrede gekend.

 

Ik wees er reeds op, dat de witte vrouwen soms aan Holda als godin van de dood doen denken. Ze hebben meer trekken met Holda gemeen. Evenals zij wonen ze in holle bergen. Holda is ook godin van de wind en de witte wijven volgden hem die haar durfde te beledigen of te bespotten in suizende vaart, zoals in tal van sagen uitdrukkelijk wordt vermeld.

 

Staring vertelt in een van zijn korte verhalen over de witte vrouwen van Barchem, dat een jonge boer roekeloos de weddenschap aanging, bij nacht te paard een haarspit (= zeisaambeeld) in de witte-wijven-kuil te zullen werpen. Hij deed zulks onder het roepen van: “Witte, witte, wit. Hier breng ik oe ’n spit!” en maakte zich dadelijk weg; maar de witte vrouwen volgden hem met vollen ren, onder een plotseling losgebarsten storm, tot de openspringende deuren van den dorsvloer van zijne woning, binnen welke hij zich redde; en zijn haarspit werd hem met onbesuisd geweld nageworpen.

 

Hetzelfde verhaalt Halbertsma van de witte wijven te Borne. Daar trof een geworpen handbijltje de deurpost dat er de splinters afvlogen.

 

Een variant spreekt van een braadspit, maar dat zal wel haarspit hebben moeten zijn, want braadspitten waren vermoedelijk niet bij de boeren in gebruik. Bij het Hellegat onder Rijsbergen (NB) is het een mes, dat in de deurstijl blijft zitten. Ook werd het paard, als er goed gemikt was, wel eens van zijn staart beroofd.

 

In de volgende overlevering (Overijselsche Almanak van 1837) kwam het niet tot een vervolging.

 

Een boer, die ’s nachts over de Groot Driemerheide reed zag plotseling drie witte vrouwen verrijzen. Goed geluimd sprak hij haar toe: “Witte wieven wit! ‘k Wol oe wat broan, maar hebbe geen spit; En um da’k neet hebbe en spit oop ik moar; witte wieven wit!” Hierop antwoorden de geesten: “Wacht tot da’ we d’eene schoband to eknupt en d’oare to erukt hebt!” Maar de boer was zo verstandig, niet te wachten, anders was het hem slecht vergaan.

 

Bij de hunnebedden in de omgeving van Wapserveen (Dr.) zaten ’s nachts oude vrouwtjes te spinnen aan goeden spinnewielen. Een boerenknecht wilde haar eens plagen. Te paard reed hij naar de hunnebedden en riep: “Old wiefien platvoet, komstoe mar oet: As ’t kwaad doet!” (Men dacht, dat men van het voortdurend aandrijven van het wiel platte voeten kreeg.) Daarop reed hij snel weg, maar de vrouwtjes zetten hem na en wierpen hem met groene botten. Gelukkig bereikte hij tijdig de stal. Een van de botten trof het paard aan de poot en daaraan bleef het dier zijn leven lang verlamd. Had het bot de berijder getroffen, dan was hij stellig dood geweest.

 

De vrouwtjes van Wapserveen herinneren door de snelle achtervolging aan Holda als godin van de wind, maar ze vertonen ook gelijkenis met de spinvrouwen, waaraan elders in Drente en in Westerwoldewerd geloofd.

 

Er heeft er een gewoond in de voormalige Spinbarg bij Jiipsingshuizen (Vlagtwedde). Ook zat er ’s nachts zo’n in het wit geklede oude vrouw op de Schottershuizer berg ten zuiden van Zuiderwolde (Dr.) te spinnen. Toen de heuvel werd afgegraven, vond men de overblijfselen van een spinnewiel, zegt de overlevering. ’t Zullen wel spinsteentjes zijn geweest. Zo’n spinwijf kwam nooit van de spinberg af. Op de Hazzebarg bij Sellingen, zaten er ’s nachts drie te spinnen, waarvan de middelste een zwarte doek droeg.

 

De spinvrouwen bezaten in nog sterkere mate dan de witte juffers, al deden de laatsten in Limburg niet alleen aan spinnen, maar ook aan vlaskoppen en hekelen, de trekken van Holda. Deze was immers de goding van de huiselijke arbeid, die de ijverige spinsters hielp en het werk van de luie bedierf. Welnu, van de spinvrouwen werd ook geloofd, dat ze luie en slordige en verkwistende huisvrouwen straften.

 

De zwarte doek, die ik zo even noemde, is een aanwijzing, dat bij de spinvrouwen op de Hazzenbarg ook aan de nonnen of schikgodinnen werd gedacht, die ’s mensen lot bepaalden. De oudste knipte de levensdraad af en die doek was voor haar dus een passend atribuut.

 

Als de witte juffers in Groningen met haar drieen verschenen, had de middelste ook vaak iets zwarts aan zich en een van hen droeg een mandje met vruchten aan de arm. Te Ulsda maakte men zich aan overdrijving schuldig. Daar vertoonden zich drie witte juffers allemaal met zwarte kapjes op.

 

De witte juffers van Warfum en Zuurdijk hebben iets eigenaardigs. De eersten zwaaiden onder haar rondedans met bebloede zakdoeken, de laatste droeg een bebloede zweep in de rechter- en een brandende pektoorts in de linkerhand. Hier schijnen gruwelverhalen uit de plaatselijke geschiedenis het witte-vrouwengeloof te zijn binnengedrongen.

 

Deel III

 

De band tussen de historie en pre-historie en de witte vrouwen is overigens dikwijls waarneembaar.

 

De Spinbarg van Jipsingshuizen lag vlak bij de nederzetting uit laatste eeuwen voor Christus. In zijn nabijheid werden in 1672 soldaten van de bischop van Munster begraven. Verder zijn er bij het Hellegat (NB) in 1885 veel urnen opgegraven, zodat de witte vrouwen aldaar op een oude begraafplaats huisden. Op een plaats in Westfalen, waar een Romeinse burcht had gestaan, zag men op de dag van de hoogste zonnestand, toen de St. Jansvuren brandden, drie schone juffers spinnen, die men voor de nonnen hield. Hier was haar verschijnen dus aan een bepaald tijdstip gebonden, evenals in de Achterhoek, naar de Geldersche Almanak van 1842 vermeldt: “Daar dansten ze in de kerstnacht op de witte-wiven-bult. Daarna gingen ze baden in de nabijgelegen kolk om vervolgens te verdwijnen.”

 

Soms komen witte juffers voor op plaatsen waar kloosters hebben gestaan, bij wierden of oude burchten. Of ze zweven maar steeds dezelfde laan op en neer. Zo’n spooksel blijks vaak gekoppeld te zijn aan een historisch persoon. Te Koewacht (Z.Vl.) verscheen om de tien jaar een witte non in de Karnemelkpolder, waar een klooster moet hebben gestaan. Te Grubbevorst waarde bij het Gebroken Slot een witte vrouw, in een lijkkleed gehuld, om de plek van een moord, waarvan zij de schuld droeg. En te Rhenen heeft de boze koningin, die St. Cunera op de Prattenberg ombracht, ook lang als witte vrouw rondgespookt.

 

Dan hebben we nog de witte juffer van Kernhem (huis tussen Ede en Lunteren), die wordt gehouden voor de schone dochter van Seger van Arnhem, jagermeester van de hertog van Gelder. Haar geliefde reed weg en beloofde haar te zullen terugkomen. Niemand heeft hem ooit weergezien. De freule wachtte en werd ondertussen oud en grijs. Na haar dood bleef ze wachtend door Kernhems lanen rondwaren. Serieuze mensen beweren haar te hebben ontmoet. Ze groette niet terug en men keek dwars door haar heen. Als iemand bezeten van een fanatieke haat tegen spoken, wou proberen haar met een bijl te lijf te gaan, leek zijn arm verlamd. Als men om haar heen liep en omkeek, was ze verdwenen.

 

De vader van Heuvel kwam te Oolde in een donkere laan een witte juffer tegen, die op zijn “goeien aovend” geen antwoord gaf. Aan ’t eind van de laan ging dezelfde juffer hem nogmaals zwijgend voorbij. Toen kom hij zijn “goeien aovend” er niet meer uitkrijgen.

 

Sagen, legenden, spookgeschiedenissen omhullen of vermommen in de regel feiten die lang geleden een diepe indruk op onze voorvaderen hebben gemaakt. Door bodemonderzoek is aangetoond, dat de plaatsen waaraan ze zijn gebonden, heel dikwijls oeroude cultusplekken blijken: offerbergen, gerichtsplaatsen, grafvelden e.d.

 

Dat bleek onder meer toen dr. C.C.W.J. Hijszeler in 1941 een archeologisch onderzoek instelde op de Manderes bij Vasse (Ov.). Daar lag een verhevenheid, van ouder tot ouder onbebouwd, waar, naar men zei, witte wijven woonden. Uit Hijszelers nasporingen is komen vast te staan dat dit een grafheuvel was uit de jongere steentijd. Volgens de sage had men verzuimd de witte wijven op een bruiloft in de naburige Meiershoeve te nodigen, hoewel ze eigenlijk tot de “naobers” behoorden. Een van de aanwezigen zie zich voldoende moed  had ingedronken, bood aan, de witte wijven haar portie te brengen. Hij braadde een zwarte kat aan een spit (waarachter ik weer zo vrij ben een vraagteken te plaatsen) en gooide zijn geschenk bij de heuvel neer. Het ging weer als steeds: hij moest vluchten en ternauwernood was de baander achter hem gesloten toe het braadspit met een smak tegen de stiepel terecht kwam.

 

Toch hadden de verbolgen geesten naar Overijselse opvattingen in het bezorgen van de kat niet alleen maar smaad behoeven te zien. Bij Vriezenveen kwamen ze ’s avonds niet zelden aankloppen en eisten dan een balkenhaeze (= kat). Die braadden ze (van de zigeuners werd hetzelfde verteld) op een vuur tegen de wand van de schaapskooi of tegen de korenschelf, zonder dat er ooit brand ontstond. Bij weigering oefenden ze wraak, drongen met gloeiende breinaalden het varkenshok binnen en doodden de zwijnen. Zelfs door het “riemsgaatje” konden ze binnen komen. Hier schijnt de volksfantasie ze de gedaanten van heksen te hebben gegeven. In dezelfde richting wijzen de bijeenkomsten die ze hielden bij de boerderij De Koel te Delfzijl en op de Wrangenbult bij Hummelo.

 

Zelfs zijn er sagen, waarin ze op de duivel zijn gaan gelijken.

 

Een man uit Canne kwam op de St. Pietersberg midden tussen een troep dansende witte vrouwen terecht, die hem een beker wijn aanboden. Hij zei: “God zegene u” ‘ en weg waren de juffers. De beker bleef echter als bewijsstuk achter.

 

Erger was de afloop van een historie, die zich in het Ruhrgebied afspeelde. Daar zag een herder eens twee witte vrouwen bezig. Wat ze deden wist hij niet, maar hij hoorde enig gerammel. “Dat kan ik beter!” riep hij en rammelde luid met een koeketting. Toen kwamen ze op hem af en draaiden hem de nek om, zoals ook de duivel gewoon was te doen.

 

Al traden de witte vrouwen in het Saksische deel van ons land in het algemeen niet zo drastisch op, toch toonden ze zich ook hier, zoals Heuvel het noemt, en zoals ik heb aangetoond, lichtgeraakt en twistziek.

 

Ten overvloede geef ik nog de sage weer van de witte juffer van Hoogsoeren, ofschoon ze naar mijn mening weinig bewijskracht bezit. Deze juffer zat in een reusachtige holle beuk te spinnen. Van de Wall Perne houdt haar voor een van de nonnen en veronderstelt, dat ze in de oude tijden Urth werd genoemd, omdat in een Gelders charter van 855 sprake was van Urthensula (zuil van Urth) in een bos op de Veluwe. De stam was zo hol, dat een man er rechtop in kon staan en had van onderen een wijde opening. Als men ’s nachts in het bos kwam, kon men daar een lichtje zien branden en hoorde men de juffer in de boom spinnen.

 

Op een zaterdagavond ging een arbeider uit Soeren naar Apeldoorn om inkopen te doen. In zijn dorp was toen nog geen enkele winkel en overdag had hij geen tijd. Hij bleef plakken in de herberg en liet zich over de witte vrouw wat snoeverig uit. Pas om middernacht ging hij naar huis en werd in de buurt van de juffersboom in het pikdonker afgeranseld.

 

Ook stak eens een meisje haar hoofd door de opening in de boom en riep: “Witte juffer, spin ie nog altied?” Ze kon haar hoofd niet terugtrekken. De juffer hield haar bij de haren vast. Toen ze bevrijd werd, zat haar gezicht vol schrammen en blauwe plekken. Men zag hierin het bewijs, dat de witte juffer niet met zich liet spotten.

 

In enkele overleveringen echter speelden de witte vrouwen de rol van verleidsters en hadden blijkbaar karaktereigenschappen ontleend aan de waternimf Lorelei.

 

In Limburg vertoonden ze zich aan jonge schaapherders en koewachters en kamden het lange haar.

 

Op de Wedderbrug (Gr.) dansten ze geregeld en lokten de jongens met onweerstaanbaar gezang.

 

Tilbusscher tekende eens uit de mond van een oud vrouwtje van het Hogeland op: “’t Ben lang gain lelke vremmenschen (= vrouwmensen), en zai bennen spierwit ankled (= gekleed). Op ’t Ol Hof bie Rottum (Rottum, gem. Kantens) lopen ’s nachts om twaalf uur twij. Ain mit ’n korfke ien aarm. Zai bennen stoapelgek op keerls, en as der ain lopt, lokken ze hom noa heur tou.”

 

Ook lokten drie zingende juffers bij Aduard de jongens ’s nachts net haar betoverende stemmen. Die wisten echter niet, waar het geluid vandaan kwam. Ze liepen dan hier- en dan daarheen en werden niet zelden het spoor bijster. Zodoende is er wel eens een in het water terecht gekomen.

 

Deel IV

 

De Overijselse en Achterhoekse witte wijven sleepten soms herders en reizigers, maar ook vrouwen en kinderen naar hun holen en hielden ze daar bij zich. Soms niet voor altijd.

 

Een boerin uit Tubbergen ging op een donkere avond water putten, maar kwam niet terug. De witte wijven hadden haar geroofd. Haar kind van zeven jaar, dat ’s morgens de koeien naar de wei bracht, ongewassen en hij had nog geen boterham gehad, kwam gewassen terug met een stuk brood in de hand. De volgende dag ging men het kind achterna en zag de vrouw omringd door witte wijven. Men bracht haar op een wagen weer naar huis. Daar wou ze graag blijven en dat mocht ook, als niemand maar zou zeggen: “Weg, varken!” toen een varken de knecht enige tijd later echter in de weg liep, overtrad deze het verbod, en de vrouw verdween voorgoed.

 

Ook werd eens een meisje door de witte vrouwen ontvoerd. Ze moest hard werken, onder de grond, in de Lonnekerberg. Eens mocht ze een uitstapje maken naar Oldenzaal, maar ze moest beloven, aan geen mens te zullen zeggen, wat er met haar was gebeurt. Toen klaagde ze haar nood aan de dikke steen die midden in Oldenzaal ligt: “O steen, o kolden, strammen steen; Gin mensche klaag ik ‘t, di steen alleen; En woo ik verlange, dat weet gin-een; Um mien vaar en moeder weerumme te zeen! ‘k Hed de witte wieven, dee wreden, edeen,; Och ik arme keend!” Teon werd ze toch verlost; de witte wijven zijn verjaagd.

 

Maar laat het nu genoeg zijn. Ik zou de witte wijven onrecht doen, als ik steeds doorging met op haar slechte karaktereigenschappen te wijzen. Ook de kabouters, dwergen of aardmanetjes hebben hun stempel op haar gedragingen gedrukt. Dat waren in ’t algemeen vriendelijke, hulpvaardige wezentjes, wel eens wat plagerig en snoepachtig, maar ook gul en royaal in het belonen, als dat zo voorkwam. Daarbij waren ze onmetelijk rijk en bewaakten alle in de grond verborgen schatten.

 

Naar ik hoop herinnert u zich de witte juffer van Montferland, en dat een dansje met haar voor een voerman uit Beek de dood betekende. In het volgende verhaal laat ze zich van een andere zijde zien.

 

De knecht van het jagershuis op de berg stond bij haar in de gunst. Op een avond ging ze naast hem op een hoop hout zitten. Spoedig stond ze op en stampte op een bepaalde plek driemaal op de grond. Daarna verdween ze plotseling. Nu was het stampen een aanwijzing, dat op die plaats een schat was verborgen. Ook in andere bronnen dan de Geldersche Volksalmanak van 1842 waarin ik deze overlevering heb kunnen naslaan, wordt ze vermeld. De knecht was er klaarblijkelijk van op de hoogte, want hij begon te graven en dolf een ijzeren kistop, waarin grote schatten zaten, die hij, onkreukbaar als hij was, naar de rentmeester bracht.

 

De oorsprong van zo’n sage is natuurlijk niet met zekerheid na te speuren. Wel was in de muur van het toenmalige gebouw een gedenksteen aangebracht, waarvan de Latijnse tekst betekende: “Oswald” (dat was natuurlijk weer de werkgever van de rentmeester) “heeft mij door uitgedolven schatten (of: “nadat zijn schatten op waren”, maar dat lijkt me in dit verband niet waarschijnlijk) “gebouwd”.

 

De Drentse witte wijven hadden al evenzeer haar uitgesproken sympathieen. Ze maakten naar mevrouw Bergmans-Beins vertelt, Jans, een verschoppeling, in zijn slaap rijk. Teon hij wakker werd, zaten zijn schoenen “vol met gold. D’hiel zool was er met bedekt en doar wazzen ze zoo zwoar van.”

 

Ook de witte juffer van Hoogsoeren was brave mensen welgezind. Een paar jonge mannen met een zieke moeder beduidde ze, dat er een schat lag verborgen in het Heidense gat, die ze bij volle maan konden opgraven en die ze mochten houden, als ze onder dat werk het stilzwijgen bewaarden. Het liep echter, zoals in zoveel verhalen van dit soort, op het laatste moment mis.

 

De witte vrouwen beloonden aan haar verleende diensten rijkelijk, meestal met goud, waarvan ze volgens Halbertsma een onuitputtelijke voorraad bezaten. Te Dinter bij Vechel was er een, die haar geld in de grond had begraven. Bij het Hellegat zaten ze dik in de goudstukken. In Westfalen speelden ze met gouden kegels en ballen. In Twente aten ze aan gouden tafels onder de grond.

 

Soms waren ze zeer hulpvaardig. Moest een aakker geploegd of bezaaid worden, en de boer had het te volhandig, vertelt heuvel, dan zette hij ’s avonds maar een schotel met pannekoek of “rijstemelksbrij” op het land en de volgende morgen was het werk gedaan. Voor een “naerig” knechtje dat ’s avonds laat nog niet klaar was, hebben ze ’s nachts wel eens de mest gestrooid.

 

De witte juffers bij de Wildenborch beloonden een goed meisje op kerstavond met een zilveren lüchte (soort lantaarn) maar haar boze stiefmoeder hielden ze zeven jaar in haar belten gevangen.

 

In Gaasterland wezen ze mannen, die bij zwaar weer naar twee verdwaalde kinderen zochten, de weg. Te Buurse (Ov.) bracht een wit wiefke een ploegende boer brood en koffie op het land. Bij de Ammeler es in Westfalen leenden de witte wijven haar koperen ketels altijd aan de boeren die wilden brouwen. ’s Winters kregen ze dan in ruil iets van de slacht.

 

Plagen deden de witte vrouwen echter ook wel eens. De witte juffer van Montferland, die ik al twee maal ten tonele heb gevoerd, heeft, toen een boer met een voer heide de berg passeerde, de kar in een ogenblik ondersteboven gezet, zonder dat voerman en paard enig letsel kregen. De “vüleken”, zoals de witte vrouwen in Vorden heetten, keerden soms bij de boeren al het melkgerei om. Bij het Hellegat stuurden ze reizigers de verkeerde kant uit. In Slochteren kwamen ze naast je lopen en bleven naast je lopen, hoe je ook begon te rennen. Ineens waren ze weg, maar als je thuis kwam, was je doodop.

 

En dan waren ze snoepachtig. Dr. Knippenberg schrijft, dat ze met een sobere kost tevreden waren, maar in voorkomende gevallen het betere niet verachtten. Uit de publicaties van meer dan een schrijver blijkt duidelijk, dat ze zich die voorkomende gevallen zonodig wisten te scheppen. Ze snoepten graag van de eet- en drinkwaren in de boerenhuizen en waren dol op spek, ham, worst, bier, melk en karnemelk. Mr. L.Ph.C.v.d. Bergh schreef in 1846 in zijn “Proeve van een Kritisch Woordenboek der nederlandsche Mythologie”, dat de voorraad, waar ze gulhartig onthaald werden, niet in de geringste mate verminderde. Maar niet alle boeren waren gulhartig van aard.

 

De Overijselsche Almanak van 1837 schrijft:

“Een zekere boer vond bij het aanbreken van den dageraad zijn brouwsel dikwerf merkelijk verminderd, maar wie waren de dieven? Dat was lang een onverklaarbaar raadsel. Nooit was er een grendel van de deur geweest; nergens een spoor van enig mensch te bekennen en door den schoorsteen konden de dieven toch niet uitvliegen. De boerenknecht wilde hier meer van weten; hij liet zich in eenen grooten bos stroo binden, en, aldus omwonden, vernachtte hij bij den brouwketel. En ziet, in het holste der nacht, daar slopen de witte wieven (misschien door het sleutelgat of de reten van de deur) in huis; schaarden zich in eenen kring om den grooten brouwketel; doch toen zij er goed zaten om hier eens lustig te drinken, zagen zij een der garven stroo bewegen en opstaan. Zij ijlings op de vlugt, of de baarlijke duivel in haar midden stond, en het was niets meer dan de knecht, die moedig op haar afkwam, om het bier van zijn boer te beschermen.”

 

Een boer uit Tubbergen, waar de witte vrouwen karnemelk stalen, kookte pap van melk met as, en dat was afdoende. Een der dieveggen, die moet hebben gezongen:

Ik ben oud

Als het Wierikerwoud,

’t Is drie maal afgekapt,

Twee keer afgebrand,

En nog weer opgewassen

Tot grote molenassen,

Maar ik at nog nooit

Geen pap van assen,

 

Liet haar kannetje in het melkvat vallen en de boer heeft het nog lang als souvenir bewaard.

 

Om mijn parallel tussen witte vrouwen en dwergen te voltooien moet ik nog melden, dat ze beiden in holle bergen woonden en beiden uit aarden pijpjes rookten. De pijpjes die in de Langenbelt te Buurse zijn gevonden, werden met de witte vrouwen in verband gebracht, maar worden ook wel aardmanspijpjes genoemd. Volgens Halbertsma vond men ze op tal van plaatsen, ook bij Edingburhg, ver voor de ontdekking van Amerika. Tabak kende men dus nog niet. Men rookte er een soort wit mos. Oude Schotse vrouwen deden dat nog in ’t begin van de negentiende eeuw.

 

Deel V (Slot)

 

In mijn voorlaatste artikel over dit onderwerp heb ik erop gewezen, dat verschillende trekken van de kabouters op de witte vrouwen zijn overgegaan. Het bleven er echter witte vrouwen om. Anders wordt het  echter, als de volksfantasie sagen voortbrengt, waarin wezens van een andere soort optreden, die volgens hun gedragingen eigenlijk witte vrouwen hadden moeten zijn. In de volgende overlevering, ontlend aande Overijselsche Almanak van 1837, worden witte vrouwen met reuzen verward.

 

“Eens was de knecht van het erve Scholte Linde tot in de onmiddelijke nabijheid van den Hunenborg genaderd, en met eenen der hunen in gesprek geraakt. Laatstgenoemde was blind, en had na enig verwijl den knecht verzocht, hem de hand te geven. Dan deze, hiervoor huiverig, stak hem, in plaats van zijnen hand, het spit toe. Toen zei de Hune: “Dat is een harde hand”, en boog daarop de spit krom. Doch ijlings zijne wapenen grijpende, nam de boerenknecht op dit gezigt de vlugt. Zijn vijand joeg hem na; doch zoo snel en woedend was de vervolger, dat de knecht, ter nauwernood aan de huisdeur van zijne meesters gekomen, nog slechts tijd had, niet om dezelve te openen, maar om zich over dezelve (de onderdeur namelijk) te laten vallen, en alzoo eenen doodelijken lanssteek ontwijken, die alstoen den deurstipel trof.”

 

In een dergelijke sage uit Aagerup (Denemarken) hebben trollen (dwergen, maar van een onsympatieke varieteit) de rol der witte wijven op zich genomen. Ze slingerden een zware steen tegen de deur, zodat er vier planken afvlogen.

 

Van geheel andere aard zijn de witte vrouwen, die in historische kastelen door haar verschijning de dood van een der bewoners of familieleden aankondigden. Het aantonen van haar oorsprong is niet zo’n eenvoudige zaak. Er bestaan aanwijzingen, dat dezen in verband staan met de in de Romeinse tijd bloeiende oudgermaanse verering der “matres matroni dominae”, zoals de Geldersche Volksalmanak van 1842 het uitdrukt.

 

Schrijnen zegt dat deze matronenverering aan de Kelten is ontleend. We moeten volgens hem deze schutsgodinnen, wellicht ook beschermgodinnen van families met belangrijke bezittingen, hier te lande in een min of meer, Kelto-romaanse vorm. Dat de verering van deze matronen zowel bij de Kelten als bij de Germanen voorkomt, is op zichzelf geen bewijs, dat de laatsten in het door de Romeinen bezette gebied een in oorsprong Keltische cultus zouden hebben overgenomen. De verering van dergelijke moedergodinnen heeft haar paralellen ook in Scandinavie. De matres waren waarschijnlijk ten nauwste met de vruchtbaarheid verbonden en zorgden dus voor de welstand van huis en hof. Gewoonlijk kwamen ze met haar drieen voor en hadden vruchten of hoornen des overvloeds bij zich.

 

Heuvel vermeldt in een belangwekkende beschouwing, dat onze vaderen in een Fylgja of volgvrouw geloofden, die elke sterveling onzichtbaar door het leven vergezelde, doch zich vertoonde kort voor zijn dood. Hij vraagt zich af, of deze volgvrouw verband houdt met de menselijke schaduw. In Duitsland en Zweden zei men, dat iemand gauw moest sterven, als hij geen schaduw meer had of als deze zich zonder hoofd vertoonde. De Noren openden achter een vertrekkende gast nogmaals de deur, opdat de Fölgie hem achterna kon gaan.

 

Als zo’n Fylgja haar gunsteling door de dood verloor, wende ze zich wel tot een jonger familielid. Zo ontstonden en familieschutgeesten, die dus dezelfde functie hadden als de matres. De Hohenzollerns en de Wittelbachs hadden er een.

 

Als stammoeder van het keizerlijk huis van Duitsland heette de witte vrouw in het paleis te verschijnen vlak voor er een sterfgeval in de familie zou plaats vinden. In 1884 behelsden volgens Guerber de kranten het officiele bericht, dat ze, zoals een schildwacht beweerde, hem in een der gangen van het paleis snel was gepasseerd.

 

Hier wordt de witte dame dus voor de mythische stammoeder van een vorstelijk geslacht gehouden, die met Holda of Bertha werd vereenzelvigd. Dat was ook al het geval met Bertha, de legendarische moeder van Karel de Grote, die van het spinnen zo’n lange en platte voet had gekregen, dat hierop in de middeleeuwse kunst het accent werd gelegd, waarom ze als “la reine pédauque” bekend staat.

 

Over de afkomst van de witte vroyw der Hohenzollerns bestaan echter ook andere sagen. Volgens een oud verhaal had Kunigunde, weduwe van graaf Otto II van Orlamünde, die na de dood van haar gemaal het kasteel Plassenburg bij Bayreuth betrok, bij gelegenheid van een steekspel liefde opgevat voor de burggraaf Albrecht de Schone van Nurnberg. Deze zou niet ongenegen zijn geweest, haar naar het altaar te geleiden, als er, naar hij zei, niet twee paar ogen te veel waren geweest. Kunigunde meende, dat hij haar beide jonge kinderen bedoelde en ruimde ze uit de weg, door ze met een naald tussen de halswervels te steken. Albrecht had echter zijn ouders bedoeld, die hun huwelijk in de weg stonden, omdat hij was verloofd met de gravin Van Henneberg, met wie hij in 1342 trouwde. Volgens sommigen werd Konigunde terechgesteld; anderen zeggen dat ze na een bedevaart naar Rome het klooster Himmelkorn stichtte.

 

De moord op haar kinderen wordt echter ook als een allegorie opgevat, beduidende, dat ze hen onterfde.

 

Het volk bleef geloven, dat Konigunde na haar dood geen rust vond en ’s nachts rondwaarde, nu een in ’t kasteel te Bayreuth, dan weer te Berlijn of elders. Haar verschijning ging meestal vooraf aan de een of andere, meestal noodlottige, gebeurtenis in de familie Hohenzollern.

 

Een ander verhaal luidt, dat Bertha von Rosenberg, geboren in 1425, lid van een geslacht van Boheemse baronnen, ten teken van rouw steeds in ’t wit gekleed ging, toen ze weduwe was geworden. Daaraan ontleende ze haar bijnaam de witte vrouw. Als zorgzame huisvrouw droeg ze steeds een sleutelbos aan haar zijde. U merkt, zowel dit attribuut als haar voornaam herinneren aan Bertha-Holda. Na haar dood zou ze zijn blijven rondwaren om te zien of de huishoudelijke werkzaamheden in de kastelen van haar verwanten, tot wie de Hohenzollerns behoorden, naar behoren werden verricht. Hier komt haar verwantschap met Holda nog treffender aan het licht.

 

Op 12 mei 1812 overnachtte Napoleon I op het slot te Bayreuth. Hij had een koerier vooruitgezonden met het bevel, een andere slaapkamer voor hem gereed te maken dan die, waarin de witte vrouw placht te verschijnen. Maar de volgende morgen zei hij, dat hij nooit meer een nacht wou doorbrengen in “ce maudit château”. Op 3 augustus overnachtte hij niet weer in Bayreuth, maar reed door naar Plauen.

 

Drijver vermeld, dat in het slot te berlijn de witte vrouw werd waargenomen in 1598, waarop de dood van keurvorst johann George volgde.

 

Soms werd van het bijgeloof gebruik gemaakt om anderen te misleiden. Bij de belegering van de burcht der Hohenzollerns moet de geliefde van graaf Oettinger, een boerenmeisje, zich als witte vrouw hebben verkleed om de bezetting kruit te bezorgen. Later werd haar verschijnen geacht, de verwoesting van het kasteel te hebben voorspeld.

 

En in 1540 werd door markgraaf Albert het bewijs geleverd, dat de witte vrouw zich zogenaamd te Bayreuth vertoonde, als hovelinge het verblijf er moe waren. Hij deed dat op een wel zeer drastische wijze, want hij doorstak het meisje, dat in het holst van de nacht voor witte dame speelde, met zijn rapier.

Evenement registratie

Vul s.v.p. onderstaande informatie in: